PEPP, Persoonlijk Europees Pensioenproduct, toekomst of utopie

Sandra Florie-Gielen, APG

Na een half jaar in China gewoond te hebben voor haar studie Oriëntaalse talen en communicatie wist Sandra Florie-Gielen (42) het zeker: die richting was niets voor haar. Snel dook ze de pensioenwereld in. Toch blijft ook nu haar blik internationaal. “Europa heeft plannen voor een Pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP). Maar zit de consument hier wel op te wachten?”

Haar werk als pensioenspecialist bij APG omschrijft Sandra als gevarieerd en uitdagend. “Aan de ene kant ben ik bezig met droge rekenmaterie, maar aan de andere kant heb ik veel contact met klanten. En vooral het meedenken over hoe we zo goed mogelijk voor onze klanten kunnen inspelen op de ontwikkelingen vind ik leuk.” Het fanatisme spat er vanaf bij Sandra. Niet alleen op de werkvloer, maar ook daarbuiten. “Hardlopen is mijn hobby en uitlaatklep. Ik loop een behoorlijk aantal keer per week.”

Grappig genoeg vond Sandra het onderwerp voor haar essay ook tijdens het rennen. In Brussel welteverstaan.

“Met een aantal APG-collega’s waren we daar voor de marathon. APG organiseert dan naast het meedoen aan de marathon ook altijd een aantal bijeenkomsten. Zoals een bezoek aan het Europees Parlement. Daar kwam het PEPP ter sprake en mijn interesse was gewekt.”

Het PEPP is bedoeld als aanvulling op een 1e pijler (van de overheid) en 2e pijler pensioenproduct (pensioenopbouw via de werkgever). Om extra te kunnen sparen dus.

“Onder uniforme condities mag het PEPP in de gehele EU aangeboden worden. Een potentiële markt van 240 miljoen mensen. Goed plan, dacht ik direct”, vertelt Sandra. “Maar na uitvoerig onderzoek kwam ik daarvan terug. Ik had me simpelweg niet gerealiseerd hoe groot de verschillen in pensioenstelsels in Europa zijn. Er zal eerst gewerkt moeten worden aan het verkleinen van die verschillen. Pas dan kan een adequaat, houdbaar, kostenefficiënt en betrouwbaar 3e pijler pensioenproduct aangeboden worden dat ook daadwerkelijk door Europese burgers wordt afgenomen.”

Lees hier het essay van Sandra Florie-Gielen